Nogmaals Jan van Teeffelen

Een selectie van columns uit ‘De schatkamer van Jan van Teeffelen’, tussen 2023 en 2025 gepubliceerd in De Gelderlander, is gebundeld in ‘De mensen van Jan’. Het fraaie boek biedt aanknopingspunten voor eigen herinneringen, zelfs aan het in de wind geslagen advies ‘Lansink oprotten’, dat ik onlangs zag op de Facebook-pagina van de Stichting Jan Van Teeffelen

Na de opening van de foto-expositie van Jan van Teeffelen in de Stevenskerk op 31 januari 2025 vroeg ik Henk Braam en Ger Loeffen, verantwoordelijk voor de ontsluiting en digitalisering van Jan’s omvangrijke archief, en Geert Willems, auteur van ‘De schatkamer van Jan van Teeffelen, een wekelijkse de column bij een bijzondere foto, of de boeiende columns ooit gebundeld zouden worden. Een harde bevestiging kreek ik niet, wel een voorzichtige toezegging. Dat was begrijpelijk, omdat toen het succes van het fraaie, toen pas verschenen fotoboek nog niet vaststond. Een maand later werd duidelijk, dat zowel de expositie als het fotoboek zich in een grote belangstelling mochten verheugen. Het fraaie fotoboek beleefde zelfs een herdruk. Inmiddels hebben de Stichting Jan van Teeffelen en auteur Geert Willems het boek ‘De mensen van Jan’ uitgegeven: een uitgebreide selectie van de wekelijkse columns, die Geert Willems elke maandag tussen september 2023 en september 2025 in de Gelderlander heeft gepubliceerd

Reunie bij Kroegtafereel in City Bar: op de voorgrond Rob Hoogveld, Wil Kester, Jan van Teeffelen en Harry Janssen (1982)

‘De mensen van Jan’ is een uniek boek, niet alleen vanwege de fraaie foto’s – anders dan in de krant nu gedrukt op glanzend papier – maar ook om de tekst bij de afbeeldingen, meer dan een loutere toelichting. Geert Willems sprak met Jan’s tijdgenoten om het een en ander te weten te komen over de achtergrond, de verhalen achter de foto’s. De afbeeldingen en verhalen vormen een kroniek van Nijmegen in de jaren 1960 tot 2000, een tijdsbeeld, dat ongetwijfeld herinneringen oproept voorbije gebeurtenissen. Onder ‘De mensen van Jan’ bevonden zich ook kunstenaars en journalisten, die Jan van Teeffelen vaak trof in de City Bar, het befaamde café van uitbater Jo Samson, onderaan de Houtstraat. Het wekt geen verbazing, dat het in 1977 onthulde kroegschilderij van Rob Terwindt twee keer voorkomt in ‘De mensen van Jan’. De foto’s zijn gemaakt tijdens een (of twee?) vijfjaarlijkse reünies van de stamgasten. Zij poseerden dan voor het schilderij, waar mogelijk volgens de plaats op het kroegtafereel. Zo niet Jan van Teeffelen, die lachend tussen de journalisten Wil Kester en Harrie Janssen zit.

Reunie in Cafe Biessels (1987): Fotograaf Jan van Leeuwen voor zijn portret op Kroegtafereel, met links Wil Kester en rechts Ad Lansink, waarnaast het witte overhemd van Jan van Teeffelen

Overigens publiceert de Stichting Jan van Teeffelen nog steeds foto’s uit het rijke archief van de befaamde Nijmeegse stadsfotograaf, weliswaar niet meer met de regelmaat van de klok maar toch vaak genoeg om de bewondering voor de kleine man met de grote Leica vast te houden. Onlangs verscheen op de Facebook-pagina van de Stichting Jan van Teeffelen een afbeelding, die mij deed terugdenken aan het roerige jaar 1981. De z.g. Piersonrellen, ook wel aangeduid als de Zeigelhoffaffaire haalden het landelijke nieuws. Zonder aanduiding van jaartal en locatie roept de foto kennelijk de vraag op, waarom Ad Lansink moet oprotten. Jan van Teeffelen heeft slechts een forse stapel kranten in beeld gebracht. Jochem van der Kwast, redacteur van de Stichting Jan van Teeffelen schrijft bij de foto: Wat er gebeurd is, om zo tekeer te gaan, weet ik niet, maar het is een mooie foto. De reacties waren niet eenduidigRosalie Thomassen noemt Pierson, maar Tom Mie verbindt de oproep op de krantenwinkels aan de (protesten tegen) studiefinanciering.

Stapels KU-Nieuws, met op de wikkels de tekst: Lansink oprotten. De toevoeging ‘Retour Afzender’ betekent wellicht dat actievoerders de verspreiding wilden beletten.
Screenshot van de reacties op Facebook, met een opvallende kanttekening van Marcel Debets

Het leek mij nuttig om de eventuele lezers van de Facebook-pagina van de Stichting Jan van Teeffelen te bevestigen, dat de foto te maken had met de Piersonrellen, een gevolg van het domstreden besluit om op de Zeigelhof een parkeergarage te bouwen, destijds een politiek compromis van PvdA en CDA. Zelf gaf ik overigens de voorkeur aan een parkeergarage onder Plein 1944. Maar dat terzijde: de verdediging van het compromis werd mij niet in dank afgenomen. Maar dat terzijde. Ben Joosten legt terecht het verband met het KU-Nieuws, de kranten in de wikkels met oproep ‘Lansink oprotten’. In 1980 en 1981 schreef ik onder de naam Adriaen op verzoek van Bert Heffels regelmatig columns in het KU-Nieuws. Toen Paul Scheffer in Vrij Nederland mijn identiteit had onthuld, was de slogan ‘Adriaen oprotten’ snel geboren, o.m. paginagroot op een van de studentenflats bij mij in de buurt. Het schelden deed destijds geen pijn, wel de bittere noodzaak van een wekenlange politiebewaking. 

Uit ‘De wereld van Jan’: Pierre Jansen lost startschot voor de race tussen Klaas Gubbels en Cees van Maurik

Terug naar ‘De mensen van Jan’: een uniek fotoboek, dat bekende en onbekende mensen toont, in eigen omgeving of tijdens hun werk, in het theater of op een onverwachte plaats. Neem bij voorbeeld de column ‘Klaas Gubbels haat lopen, maar dit is een kunstproject’. Jan Teeffelen legde in 1975 het ogenblik vast, waarop de kunstenaar van de koffiekannen met Cees van Maurik, kunstverzamelaar en GBK-voorzitter door museumdirecteur en kunstverteller Pierre Jansen op Sportpark Brakkestein wordt weggeschoten voor een hardloopwedstrijd over 5000 meter.  Een ander beeld, dat persoonlijke herinneringen oproept, is de foto met de titel ‘De Schotse trainer Jimmy was kampioen bier drinken’. Jan van Teeffelen portretteert Jimmy Calderwood, NEC-trainer Leen Looyen, Burgemeester Ed d’Hondt en McDOS-eigenaar Frans Hendriks tijdens een Herenzitting in het Kolpinhuis, de plaats waar het Convent van Ex-Prinsen jarenlang de Knotsenburger heren trakteerde en vermaakte.

Uit ‘De mensen van Jan’: Eretafel bij Herenzitting in Kolpinghuis met van links naar rechts Jimmy Calderwood, Leen Looijen, Ed d’Hondt en Frans Hendriks

Veel fans van Jan van Teeffelen hebben waarschijnlijk de columns van Geert Willems en de daarbij horende foto’s als in De Gelderlander gelezen. De Schatkamer van Jan van Teeffelen was – zo hoorde ik hier en daar – een graag geziene column. Toch heeft ‘De mensen van Jan’ waarin zijn gebundeld, een forse meerwaarde, om de mooi afgedekte foto’s, de soms zakelijke maar vaak ook anekdotische verhalen, opgetekend door Geert Willems en de grote variatie in mensen en (dus onderwerpen. Ik schrijf opnieuw: woorden tellen – beelden spreken.

Woorden tellen, beelden spreken

Op 12 oktober 2025 mocht ik in Galerie LangeHezel46 te Nijmegen de expositie openen die Hettie Laarakker heeft georganiseerd in het kader van de landelijke manifestatie GRAFIEK25. De Wychense kunstenaar Harrie Gerritz toont eten, linosneden en zeefdrukken: een keuze uit zijn grafisch werk uit de periode 1971 tot 2025. Verschillende toehoorders vroegen naar de tekst van de toespraak, vandaar dit bericht, met enkele beelden. Wie liever luistert dan leest, tikt op de blauwe letters: Woorden tellen, beelden spreken.

Voorzijde uitnodiging Galerie LangeHezel46 met grafiek van Harrie Gerritz: van links naar rechts: African Church (Ogone) – linosnede 1996; Toren bij Rivier – kleurets 1994; New Castle – zeefdruk 2035 (Ontwerp uitnodiging: Sophie van Kempen, bio)
Hettie Laarakker heet de gasten welkom en kondigt Ad Lansink aan. In de kast staan de twee zeefdrukken, die Harrie Gerritz maakte voor ‘De Toren van Babel’

Waar blijft de tijd? Die vraag stel ik mezelf soms, niet elke dag, wel wanneer herinneringen opdoemen. Zo ook, nu ik terugdenk aan mijn eerste ontmoeting met Harrie Gerritz in Woezik, waar hij toen nog woonde en werkte. Het fraaie atelier in de Berendonck bezat hij nog niet. Harrie’s broer Albert had het bezoek aan de toen al befaamde kunstenaar geregeld. Ik ging naar huis met ‘Volg de Perenroute’: geen grafiek maar een monoprint, toen nog tamelijk figuratief. Twee jaar later volgde ‘De Wachter’: een vogel op een paal onder een waslijn in een eenvoudig landschap: een zeefdruk in grote oplage; grafiek waarin figuratie en abstractie al hand in hand gingen. Waar blijft de tijd? Het antwoord van Harrie Gerritz vindt de toeschouwer – met mij hopelijk ook liefhebber van zijn werk – in de bijna onuitputtelijke reeks van sculpturen, schilderijen en grafiek van de kunstenaar, die de iconografie tot zijn onnavolgbaar handschrift heeft gemaakt. Vandaag zijn het etsen, linosneden en zeefdrukken uit de periode 1971 tot 2025, die een veelkleurig zicht bieden op en inzicht geven in het onmiskenbare kunstenaarschap van Harrie Gerritz. Zijn even strenge als pure vakmanschap en nauwgezetheid worden overigens geprezen door de ets- en zeefdrukkers Piet Zegveld (Arnhem), Piet Clement (Amsterdam) en Henk van de Laar (Kurtface – Nijmegen), waar Harrie vaak te vinden was

Om drie uiteenlopende maar toch met elkaar verbonden redenen is het een voorrecht om de expositie van Harrie Gerritz in LangeHezel46 te mogen openen. De eerste reden is de galerie zelf, of liever gezegd Hettie Laarakker, die deze historische ruimte een nieuw leven gaf. Ik herinner me als de dag van gisteren – intussen ruim zes jaar leden – het uur, waarin Hettie mij in de nog niet ingerichte galerie naar namen van en ervaringen met kunstenaars uit het Rijk van Nijmegen vroeg. Aanleiding was de reeks gesprekken met kunstenaars, die ik in 2006 in ‘Beeldspraak’ had gebundeld. Omdat muziek ook Hettie’s belangstelling had, noemde ik de naam van Ria Roerdink. Het was dus geen toeval dat Ria toepasselijke songs zong bij de afsluiting van de expositie van Harrie Gerritz en Jan Tregot, nu twee jaar geleden.

Achtergedeelte van Galerie LangeHezel46, met grafiek van Harrie Gerritz (Foto: Ad Lansink)

 De tweede reden is de plek van de galerie, midden in de oudste winkelstraat van Nederland. In de Nijmeegse Benedenstad leerde ik veel kunstenaars kennen, soms in hun atelier, zoals de oude bank van lening op de Hessenberg, of in de oude drukkerij in de Pijkestraat, maar meestal in bekende kroegen, waar de kunstenaars destijds uitrusten van hun tegelijk creatieve en noeste arbeid. In de Gouden Leeuw vierden schilders en beeldhouwers elk jaar het fameuze biljartfestijn Tien over Rood, tevens kunstmarkt ‘avant la lettre’. De Prins van Friesland had met buurtbewoners zijn eigen charme en in de City Bar troffen kunstenaars drinkgrage journalisten en verdwaalde politici. Waar blijft de tijd? De Prins van Friesland en de Gouden Leeuw zijn verdwenen. De City Bar werd Blonde Pater, waar lekker gerstenat vervangen is door prima koffie: dat dan weer wel.

Stilleven” Litho van Klaas Gubbels uit de verzameling van Harrie Gerritz (Foto: Ad Lansink)

De ateliers brengen mij bij de met Harrie bevriende kunstenaars – veelal ook tijd- en studiegenoten – die hem inspireerden: Theo Elfrink, die in het bruggenhoofd van de Spoorbrug in 1973 ‘Biljarters’ etste; Klaas Gubbels, die twee bruggen verder een ‘Stilleven’ lithografeerde; Robert Terwindt die in 1990 met droge naald een ‘Bedscene’ tekende. In 1977 vereeuwigde hij in de Pijkestraat de stamgasten van de City Bar; Jan Hein van Rooy, voluit leeftijdgenoot, die in 1994 een opvallend ‘Spaans Landschap’ tekende; Manuel Kurpershoek, befaamd om zijn houtsneden, die zijn vrienden bijzondere ‘Nieuwjaarswensen’ stuurde; Geert Jan van Oostende, die in 1970 de droge naald ets ‘Trechter’ maakte, ook in de voormalige drukkerij aan de Pijkestraat, toen al een binnenstedelijke broedplaats. Ik bezocht die drukkerij overigens enkele keren, ver voordat kunstenaars het pand betrokken. De Gebroeders Jansen drukten daar namelijk in 1964 – ruim 60 jaar geleden – mijn proefschrift ‘Yeast Ribosomes and :Magnesium Ions’: bevestiging van de retorische vraag: waar bleef de tijd van de toen nog jonge doctor?

De derde, doorslaggevende reden waarom het een voorrecht is deze expositie te mogen inleiden is de kunstenaar: Harrie Gerritz, die ik nu meer dan een halve eeuw ken, en met wie ik veel heb meegemaakt. Het is ook niet de eerste keer, dat ik Harrie, zijn vrouw Jenny en de vele gasten mag toespreken. In de galerie van Wim de Natris lichtte ik in 2018 Harrie’s boek Onderweg toe en in 2020 mocht ik in Wijchen ons gezamenlijke project ‘De Toren van Babel’ bespreken. Ons: dat zijn Harrie Gerritz, Sophie van Kempen en ik zelf. Het project: dat is het kunstenaars-boek, dat mede door de twee zeefdrukken van Harrie werd opgenomen in de 50 best verzorgde bibliofiele uitgaven van de jaren 2021-2022. Ik wist natuurlijk al langer, dat Harrie vrijwel alle disciplines van het kunstenaarschap beheerst. Want naast de al genoemde aspecten – schilderen, beeldhouwen, grafiek – waagde hij zich ook met succes, aan glas in lood ramen, sieraden en gebruiksvoorwerpen. Bij al die artistieke disciplines is Harrie’s grafisch – of moet ik zeggen iconografisch – handschrift zicht- en herkenbaar.

Iconografie van de Ladder van Lansink in de beeldtaal van Harrie Gerritz

Op de tijdas van vroeger naar later, van 1971 naar nu is de grafiek van Harrie steeds universeler, en daarmee tijdlozer en grensoverschrijdender geworden. ‘De elementen – lucht, bodem, water vuur, maar ook torens, kastelen, rivieren en wegen – worden algemeen leesbare tekens’. De kunstenaar maakt met die in de vorm wisselende maar toch herkenbare bouwstenen nieuwe, steeds weer verrassende composities, ook door het even functioneel als esthetische gebruik van kleuren. Ik merkte dat zelf, toen Harrie mij de grote zeefdruk toonde, die hij had gemaakt op verzoek van afvalonderneming Attero. Commissaris Jan Hendriks – destijds CdK in Overijsel – had directeur Pierre Vincent aangespoord om gemeentelijke contractpartners en andere relaties te verrassen met een artistieke vertaling van de Ladder van Lansink, de voorkeursvolgorde van het afvalbeleid, die ik in 1979 en die in 1993 werd opgenomen in de wetgeving. Harrie vroeg mij de ladder uit te leggen, en ook welke kleuren ik mooi vond. Het resultaat was verbluffend: negen geabstraheerde elementen: de schepping in een beeld gevangen zij het met een figuratief element: een ladder, die mij trouwens aan ‘Volg de Perenroute’ deed denken. Harrie Gerritz laat de interpretatie van zijn werk vrijwel altijd aan de toeschouwer over. Toch bieden de titels van zijn werken wel enig houvast. Kijk maar naar de zeefdruk, kleurets en linosnede, die op de uitnodiging staan en op ware grootte nog meer indruk maken: New Castle (2025), Toren bij Rivier (1994) en African Church (1996). De bouwwerken laten voldoende ruimte voor verbeelding en interpretatie. Ontbreekt een titel – zoals bij de rode linosnede – dan bieden de elementen van de compositie voldoende aanknopingspunten voor een ongedachte reis naar een andere werkelijkheid.

Cesar (uit Boxtel) en Lieuwe (uit Bennekom): de jongste bezoekers van Galerie LangeHezel46 (Foto: Sophie van Kempen)

Over reizen gesproken: met mijn echtgenote Ans bezocht ik heel wat exposities van Harrie Gerritz, in de buurt, soms wat verder weg, tot in Annonay (onder Lyon) en Skagen, op de punt van Denemarken toe, niet zozeer als kunstverzamelaar, meer als liefhebber en bovenal als vriend, die zich verwant weet aan de kunstenaar, zijn drijfveren en zijn intenties. Ik doel op zijn voorliefde voor torens – bakens en wegwijzers in een woelige tijd – en zijn verbondenheid met de aarde, letterlijk, figuurlijk en overdrachtelijk. Harrie geeft zijn nieuwsgierigheid de ruimte om nieuwe werkelijkheden te scheppen, elke dag opnieuw. Mijn rhetorische vraag ‘waar blijft de tijd’ is niet aan hem besteed. Hij werkt gewoon door in zijn museum-atelier in de Berendock, omringd door even mooie als intrigerende doeken, beelden en grafiek. De LangeHezel46 is nu het domein voor Harrie’s en andermans grafiek: de in zijn ogen sociale kunstvorm. Harrie zegt zelf: ‘Je brengt meerdere mensen in contact met iets wat niet alledaags is. Met grafiek werk je voor een breder publiek’ aldus de kunstenaar, die niet alleen de aarde maar ook de samenleving bemint en dient, dichtbij en veraf. Waar blijft de tijd? Mijn antwoord: overal en nergens, want kunst is van alle tijden. En: woorden tellen, maar beelden spreken.

Naschrift: De fokfoto’s zijn, tenzij anders vermeld, gemaakt door Olga Verstijnen, die ook de video produceerde. Wie de toespraak wil bekijken en beluisteren: tik op deze link

Dirk Denoyelle’s Bricks of Wonder

Op zoek naar de Ladder van Lansink bij de grote expositie ‘Bricks of Wonder’ van de Belgische kunstenaar Dirk Denoyelle in de Westfield Mall of the Netherlands in Leidschendam

De man van de ladder bij de creatie van Dirk Denoyelle: de Lego-Ladder opgebouwd uit 2500 ‘bricks’ (Foto: Frans Vissers)

Een merkwaardig bericht van een ‘verre’ Facebook-vriend zette mij op het spoor van ‘Bricks of Wonder’: een verassende Lego-expositie in Leidschendam, waar de Belgische kunstenaar Dirk Denoyelle zijn uit meer dan twee miljoen Lego-stenen opgebouwde creaties ten toon heeft gesteld. Rudy van Haren had aan zijn summiere bericht drie foto’s toegevoegd: een afbeelding met de titel van de expositie, een foto met een korte Nederlandse en Engelse omschrijving van de Ladder van Lansink, en een afbeelding van een Lego-bouwsel, dat de voorkeursvolgorde van het afvalbeheer voorstelt, inclusief de kleuren van rood naar groen. Op de gekleurde treden van de als een keukentrap weergegeven ladder ontwaarde ik allerhande combinaties van figuren, die de bekende treden van de ladder verbeelden: preventie, hergebruik, recycling, terugwinning van energie, loutere verbranding en storten. Ik kon op de betrekkelijk kleine afbeelding niet vaststellen, dat de bouwsels, figuren en vuilniswagens op de zes treden een correcte vertaling van de afvalhiërarchie inhouden.  

Werk in uitvoering: zelfportret van Dirk Denoyelle (Foto Frans Vissers)

Mijn nieuwsgierigheid was echter, ook via de informatie over ‘Bricks of Wonder’, voldoende geprikkeld om zelf de expositie te gaan bezoeken. Frans Vissers deelde mijn belangstelling en vergezelde mij op de spannende ‘ontdekkingsreis’ naar Leidschendam. De tijdelijke expositie van Dirk Denoyelle’s ‘Bricks of Wonder’ bleek gehuisvest in de fraaie, moderne Wesfield Mall of the Netherlands, een complex, dat mij aan Kuala Lumpur deed denken. De immense (gratis) parkeergarage had ons al verwonderd, maar het winkelcentrum verraste ons nog meer. De grootste verrassing was échter de Lego-expositie, ondergebracht naast het pand van de ANWB. De gastvrouw, die de toegangskaarten controleerde, vroeg of wij zelf Lego-fans waren. Waarschijnlijk riep onze grijze haardos die vraag op. Wij antwoordden dat wij geïnteresseerd waren in het werk van de Belgische lego-kunstenaar. Ik voegde daaraan toe, benieuwd te zijn naar de verbeelding van de Ladder van Lansink, waarop Frans Vissers zei: ‘Dat is mijnheer Lansink’.

Koning Willem Alexander en Koningin Maxima in vol ornaat: creatie van Dirk Denoyelle (Foto: Ad Lansink)

De verbaasde receptioniste meldde, dat de ladder aan het einde van de expositie stond. Via een vaste route zouden we eerst de andere creaties van Dirk Denoyelle bewonderen, van dichtbij en veraf om van de Lego-kunstwerken te kunnen genieten. De creaties maakten meteen een overrompelende indruk, of het nu grote of kleine, twee- of driedimensionale, zwart-witte of kleurrijke voorstellingen betrof. De kunstenaar heeft talloze ‘bricks’ – volgens Dirk blokjes met noppen – en veel tijd nodig gehad voor de levensgrote creaties van Koning Willem-Aleander en koningin Maxima in vol ornaat. Beroemde kunstwerken van Van Gogh, Mondriaan, Rubens en Dali tonen de grote creativiteit van Dirk Denoyelle, die de Lego-stenen toepast zoals schilders olieverf en beeldhouwers marmer. Zijn tweedimensionale portretten van bekende figuren lijken op mozaïeken, maar ogen toch anders door de regelmaat en vaste afmetingen van de blokjes. De creaties krijgen een extra dimensie door de toevoeging van menselijke figuren, met een volle schouwburg als ultiem voorbeeld.

Het voordeel van een bezoek met zijn tweeën is, dat je elkaar kunt wijzen op details, die je bij een vluchtige blik over het hoofd ziet, of humor die je niet meteen door hebt. Je kunt ook nagaan of en hoe smaken verschillen. Dat leek overigens nauwelijks het geval, hoewel we geen poging hebben ondernomen om een voorkeursvolgorde op te stellen. Dat woord brengt mij bij de Ladder van Lansink, ook een voorkeursvolgorde maar dan voor het afvalbeheer. Juist toen Frans Vissers en ik aan het einde van de expositie de ladder niet konden vinden, vroeg een staflid van de expositie mij of Dirk Denoyelle mij mocht bellen. Klaarblijkelijk had de receptioniste hem verteld, dat de uitvinder van de ladder de expositie aan het bekijken was. Intussen was duidelijk, dat zijn ladder-creatie van deel uitmaakte van de thema-expositie over duurzaamheid, een verdieping lager. Aangekomen bij de ladder verbond het staflid mij door met de kunstenaar, die zei zeer vereerd te zijn met mijn bezoek. Ik verzekerde Dirk, dat die eer wederzijds was. Het is immers  een eer via de Ladder van Lansink deel uit te maken van zijn bijzondere expositie. Die woorden mocht ik toelichten in een interview.

Dirk Denoyelle vertelde mij, dat zijn dochter Yanaika hem had aangeraden een creatie te wijden aan de ladder. Yanaika had hem ook meegeholpen met de opbouw en inrichting van het themagedeelte over duurzaamheid. Een ‘tegenprestatie’ lag voor de hand. Spontaan besloot ik mijn waardering te onderstrepen met de toezending van mijn ‘ladderboeken’, achtereenvolgens ‘De Kracht van de Kringloop’ en het Engelstalige boek ‘Challenging Changes’ over de relatie tussen de Ladder van Lansink en circulaire economie. Het onverwachte telefoongesprek bood mij ook de gelegenheid om enkele kanttekeningen te maken bij de betekenis van de figuren, die Dirk Denoyelle – wellicht op advies van zijn dochter – op de treden van de lego-ladder heeft geplaatst. Vier vuilniswagens, dat leek mij te veel van het goede (of slechte?). Ik haast me op te merken, dat de vrijheid van de kunstenaar hem uiteraard de ruimte geeft om – waar dat om artistieke redenen nodig is – de voorkeursvolgorde een eigen invulling te geven. 

Bij het vertrek kreeg ik van de medewerkers van de expositie als aandenken Dirk’s boek ‘Briljant Bricks, waarin hij ‘alles (vertelt) over de wondere wereld van de blokjes met noppen’. Het fraaie, rijk geïllustreerde boek is een ware inspiratiebron voor jonge, oude en nieuwe lego-fans. Na thuiskomst trof ik in mijn mailbox al een bericht van Dirk Denoyelle in mijn mailbox. Ik had om toezending van zijn adres gevraagd voor de toezending van mijn boeken. Later bedacht ik, dat ik een bezoek aan Antwerpen kon combineren met de overhandiging van mijn boeken: in meervoud, omdat beide dochters waardering verdienen voor hun publicaties over duurzaamheid: Laura over ‘Tiny Homes’ en Yanaika over ‘De Klimaatschok’. De familie Denoyelle timmert dus flink aan de weg: ‘timmerwerk’ dat brede belangstelling verdient.

Binnenkort ontmoet ik Dirk, Laura en Yanaika Denoyelle: een gevolg van wat toevalligheden heten: het bericht van Rudy van Haren, het noemen van mijn naam door Frans Vissers en de oplettendheid van de receptioniste van de expositie. Maar kunstenaar Han Klinkhamer leerde mij ooit: toeval bestaat niet, genade wel: een stelling die mij aanspreekt. Ik houd het dus op genade, in de zin van goddelijke welwillendheid. Of korter: een godsgeschenk.

(De foto’s in 3 series zijn gemaakt door Frans Vissers)

Filmiconen van vroeger (met helemaal rechts Charley Chaplin): rake, levensechte creaties van Dirk Denoyelle (Foto: Ad Lansink

Stilte verdrijft eenzaamheid

Stille plekken zijn volgens Peter Nissen ‘bouwplaatsen van hoop’, plaatsen waar mijn eenzaamheid wijkt voor de herinnering aan andere, soms betere tijden

Twee en dertig treden omhoog naar het kerkhof van het Begraafpark Heilig Landstichting: de wekelijkse pelgrimage, wanneer herinneringen de eenzaamheid verdrijven (Foto: Ad Lansink)

Peter Nissen, emeritus-hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Nijmeegse Radbouduniversiteit is een begaafd theoloog, die ook de kunst van het spreken en schrijven verstaat. Hij is soms te beluisteren in de podcast ‘Kloostergesprekken’ van Leo Fijen. Een grote reeks fans volgt vrijwel dagelijks zijn even indrukwekkende als leerzame mini-essays op zijn facebook-account, veelal over de lezingen van de (zon)dag, of over actuele kwesties. Ook zijn boekbesprekingen zijn de moeite van het lezen meer dan waard. Peter Nissen is daarnaast vast medewerker van Gerardus, het magazine voor bezieling en levensoriëntatie van het redemptoristenklooster Wittem. In de 5e editie van 2025 staat een boeiende bijdrage van de erudiete schrijver, getiteld ‘Stille plekken’, over rust in een prikkelarme omgeving. Stiltecentra in zorginstellingen en ziekenhuizen, maar soms ook op vliegvelden en winkelcentra noemt hij ‘bouwplaatsen van hoop’, verwachtingsvolle plekken voor bezinning en reflectie, die volgens de auteur ook te vinden zijn in oude of nog bestaande kapellen en kerken. 

Stille water hebben diepe gronden, ook in de Bruuk, hoewel het water afkomstig is uit het nabijgelegen Reichswald; rechts de grote zandweg door de Bruuk (Foto: Ad Lansink)

Ik stem graag in met de benadering van Peter Nissen en deel zijn opvattingen over de betekenis van stilte. Wel voeg ik aan zijn ‘bouwstenen van hoop’ natuurgebieden toe: plekken zonder de gebruikelijke geluidsprikkels, maar met visuele prikkels, die de stilte niet verstoren maar wel aanzetten tot mijmeringen: persoonlijke overpeinzingen over verleden heden en toekomst. In de naaste omgeving van Nijmegen – soms ook wat verder weg– vind ik stilte en rust ik in kleine en wat grotere natuurgebieden. Op de eerste plaats staat het Begraafpark van de Heilig Landstichting, dat sinds het overlijden van mijn echtgenote Ans een wekelijks pelgrimsdoel is. De natuurlijke omgeving verandert daar, zo niet elke dag dan toch elke week. De graven en de monumenten houden de herinnering levend aan wat voorbij is, maar de planten en bomen bieden zicht op wat komen gaat, ook door de zichtassen, die de verbinding vormen tussen markante plaatsen zoals de berg Golgotha en de Hemelvaartkoepel,

In de Zeldersche Driessen zijn mensen noch dieren te vinden: een stille plek bij uitstek, de wind niet meegerekend (Foto: Ad Lansink)

Wat verder weg, maar nog wel in de gemeente Berg en Dal, ligt tussen de kerkdorpen Horst en Breedeweg het natuurreservaat De Bruuk, waar Ans en ik sinds we in Nijmegen wonen heel wat voetstappen hebben gezet, tot aan de dag waarop haar rollator plotseling moet worden omgezet in een soort rolstoel. Wanneer ik nu op mijn eentje uitrust op een van de banken, biedt de stilte – soms onderbroken door vogelgeluiden – ruimte voor troost en herinnering. De eenzaamheid maakt plaats voor verwondering voor wat leeft en bloeit, tot de Zwarte Kattestaart toe. Echte stilte ervaar ik overigens verder weg in het kleine maar mooie natuurreservaat, De Zelderschee Driessen, vlak bij het Noord-Limburgse Ven-Zelderheide. Mensen tref ik daar nooit, een reebok soms. Via het lange bospad beland de eenzame wandelaar uiteindelijk bij de weiden en rivierduinen langs de Niers, waar evenmin dieren of mensen te vinden  zijn. Aan de overzijde van de smalle rivier valt de kerktoren van het Duitse Hommersum op, een stil baken in een ‘wezensvreemd’ landschap, waar zelfs de tijd lijkt te hebben stilgestaan.

Sankt Peter und Paulskirche in bedevaartsoord Kranenburg; rechts een deel van de oude ommuring (Foto: Ad Lansink)

Van de natuur terug naar de (klein-)stedelijke omgeving, waar we in de loop van de jaren vooral over de grens stille plekken vonden in meerdere kerkelijke monumenten. Ik noem als eerste de Sankt Peter und Paulkirche in de bedevaartsplaats Kranenburg, waar Ans en ik in de jaren negentig de Kerstnachtmis vierden. Van stilte was natuurlijk dan geen sprake. Maar door de week was en is de middeleeuwse kerk een stille plek bij uitstek, waar de uit hout gesneden retabels met reliëfvoorstellingen ondanks de drukke voorstelling een zekere rust uitstralen: een mooie plaats voor stille reflectie. Datzelfde geldt de Sankt Nicolaikirche in Kalkar waar diverse polychrome retabels te bewonderen zijn. Ans en ik vierden daar ooit de Paasnacht: een indrukwekkend gebeuren, omdat bij de overgang van donker naar licht – het traditionele aansteken van de kaarsen – ook de gesloten retabels werden opengeklapt: geen stille actie, wel een moment om stil van te worden. 

Priesterkoor van de Sankt Nicolaikirsche in Kalkat: aan weerszijden van het altaar en daarachter enkele opengeklapte houten rotabelen (Foto: Ad Lansink)

Weer wat verder op de oude Romeinse weg van Nijmegen naar Keulen ligt Xanten: het vroegere Colonia Upia traiana. Het silhouet van de stad wordt beheerst door de torens van de Sankt Viktor Dom, die zijn eigen stille plekken kent: de befaamde kloostergang naast de kerk, en de crypte onder het priesterkoor. De klassieke vormgeving van de kloostergang nodigt uit tot nadenken over ooit, nu en toekomst, en is tegelijk een bron van reflectie door de grafstenen, die in de muren zijn opgenomen. De stilte wordt een keer per jaar doorbroken, namelijk in de (late) uren na de Paaswake, wanneer de kerkgangers het glas heffen op het nieuwe kerkelijk jaar. Stiller dan in de kloostergang is het in de crypte, waar martelaren uit een recent verleden zijn begraven: Heinz Bello, een jonge soldaat die om zijn uitspraken tegen het nazidom werd gefusilleerd; Gerhard Storm, een Duitse priester en verzetsstrijder, die in januari 1942 werd opgepakt en zeven maanden later in Dachau overleed; en Karl Leisner, die om zijn kritiek op de nazi’s al in 1939 werd gearresteerd, en kort na de bevrijding van Dachau aan uitputting bezweek. De stilte in de crypte heeft iets beklemmends, en is toch een bouwsteen van hoop: de overtuiging in alle tijden mensen opstaan, die naast hoop ook geloof en liefde uitstralen.

Kloostergang van de Sankt Viktordom in Xanten (Foto: Ad Lansink)

Bourgondische hekken en heggen

Beelden en woorden, vastgelegd en opgetekend ter herinnering aan een korte vakantie in Frankrijk

Tijdens een korte vakantie in Frankrijk wandelde ik door het golvend heggenlandschap, ergens Charolles en Cluny. Vanaf de smalle wegen maar ook vanuit het bos viel het uitgestrekte heggenlandschap op, tussen tamelijk eenzame boerderijen. Op enkele weiden graasden de befaamde vleesrunderen, bekend van de veemarkt in Charolles. De eenvoudige houten hekken, waarlangs de boeren hun vee naar de weiden brengen, deden mij denken aan de hekken uit het Land van Maas en Waal, die Harrie Gerritz meer dan een halve eeuw geleden fotografeerde als elementen voor zijn grafie van het landschap. De kunstenaar uit Woezik gaf mij een boekje met afbeeldingen van hekken cadeau, toen ik voor de eerste keer een monotype van hem kocht: ‘Volg de perenroute’, een prent zonder hek maar (toen al) met een echte ladder.

Ver van huis, dus ook ver van het Land van Maas en Waal en ook ver van de befaamde Maasheggen in Noord-Limburg besloot ik ter herinnering aan mijn verblijf in Bourgondië hier en daar enkele opvallende hekken te fotograferen, zowel overdag en bij het ondergaan van de zon. De beelden van de hekken moesten ook zicht bieden op het bijzondere landschap, met weiden, heggen, en kleine en wat grotere bosgebieden, De loofrijke bomen zorgen voor extra afwisseling in het overwegend groene landschap. Ik trof niet ver van elkaar voldoende hekken voor een gevarieerd beeld van het weidegebied tussen de dorpen Verosvres en Dompierre-les-Ormes. De aangename stilte werd slechts onderbroken door het geloei van de runderen, die in de eerste week van juli afscheid hadden moeten nemen van hun kalveren.

Heggen zijn overigens niet alleen landschappelijke elementen. De vaak eeuwenoude heggen karakteriseren veelal ook in ecologisch en cultureel opzicht de streek, waar zij door mensenhanden zijn aangeplant. Ze geven structuur aan het coulissen- (of bacage-) landschap, waarin kleinschalige landbouwpercelen en weiden omzoomd worden door heggen, muurtjes en bosjes. Grotere bosgebieden, waar op kleine schaal bosbouw voorkomt, bedekken de heuvels van het Bourgondische landschap. De primaire functie van de heggen ligt in de scheiding van akkers en weilanden, soms in combinatie met muurtjes van gestapelde stenen. Maar heggen zijn ook ecologisch van betekenis. Vogels en kleine zoogdieren vinden in de heggen een rustplaats, insecten voedsel en het vee schaduw. 

Terug naar de hekken, de eenvoudige, ook met de handgemaakte afscheiding van de weiden, die de boeren in d gelegenheid stellen hun vee te verplaatsen van de stal naar het weidegebied of van het ene naar het andere perceel. De boerenlandhekken hebben meestal eenzelfde structuur. Er valt weinig aparts aan te ontdekken. Maar in het landschap trekken zij toch de aandacht, als een onderbreking van het ritme van de heggen, als toegang tot een veelal groene weide of als overblijfsel uit een vervlogen tijd. Hekken bieden de wandelaar, langs de Maas, in het Land van Maas en Waal, en dus ook in het Bourgondische land zicht op de omgeving en tijd om stil te staan bij het landschap, dat mede door mensenhanden is gevormd, in de loop van de tijd, die een mensenleven te boven gaat.

Iconische Palmlelie

Een onmiskenbare blikvanger, vooral het opengaan van de grote, witte bloem: verklaring van de isymbolische betekenis

Palmlelie (Yucca) – volledig in bloei (Foto: Ad Lansink(

De Palmlelie, beter bekend onder de botanische naam Yucca, stond al in de tuin van de Willem Schiffsstraat 3 in Nijmegen, toen Ans en ik eind 1980 het vrijstaande hoekhuis kochten. In de loop van de jaren hebben we hier en daar wat aan de tuin veranderd, en de bestrating aangepast. Maar de grote lijnen bleven overeind, net zoals de Zilverspar op de hoek die in de meer dan vier decennia een forse omvang heeft bereikt. Ook de Palmlelie bleef staan, zonder tussen de heesters en kleine bomen op te vallen. Maar in de afgelopen weken veranderde plotseling het beeld. Uit de spitse, zwaardvormige en dus merkwaardige bladeren kwam ineens een lange steel omhoog met aanvankelijk kleine, tegen de steel gedrukte, dichte trossen. Vanaf dat ogenblik keek ik elke dag naar de palmlelie, om de veranderingen op de voet te kunnen volgen.

Afbeeldingen in boeken en op internet hadden mij intussen geleerd, dat ik witte bloemen mocht verwachten. Daar zag het eerst niet naar uit. Ik zag bij het uitkomen van de bloemen aanvankelijk roze en paarse kleuren. Maar tijdens en na het opengaan van de bloemen kreeg de witte kleur toch de overhand. De opening van de bloemtrossen duurde toch nog enkele dagen. Pas vier weken na mijn eerste waarneming stond de hele palmlelie in bloei stond. Toen het eenmaal zover was, bleek de Palmlelie een echte blikvanger, die de al genoemde zilverspar naar de kroon stak, ondanks de omvang van de immense boom. De Palmlelie zal maar korte tijd blikvanger zijn want de bloemblaadjes aan de onderkant vallen al af, wanneer de trossen aan de top net open zijn gegaan.

De palmlelie komt oorspronkelijk uit droge gebieden van Noord- en Midden-Amerika. De geschiedenis van de palmlelie leert, dat de plant zich gemakkelijk aanpast aan extreme omstandigheden. Hitte, droogte en arme grond hebben geen negatieve invloed op de palmlelie, die kennelijk met weinig voedingstoffen en water toch kan uitgroeien tot een fascinerende plant. Ik ben benieuwd, wanneer ik de volgende bloem tevoorschijn komt, eventueel uit de twee palmlelies, die in de afgelopen jaren ontstaan zijn uit de Yucca, die door de bouwer en eerste eigenaar van het huis aan de Willem Schiffstraat is aangeplant.  Bij thuiskomst zal ik vaker kijken, hoe de Palmlelie erbij staat. 

Bloemblaadjes vallen onderin de Yucca (Foto: Ad Lansink)

Toen ik onlangs een beeld zocht, waarmee ik ‘eenheid in verscheidenheid’ in beeldtaal kon weergeven, dacht ik meteen aan de Palmlelie, die op dat ogenblik volop in bloei stond. Ik wist toen nog niet, dat de Palmlelie in diverse culturen – het is immers een wereldwijd voorkomende plant – symbool staat voor veerkracht, zuiverheid en bescherming. Die waardevolle begrippen staan de toevoeging van eenheid in verscheidenheid niet in de weg, temeer waar de Palmlelie ook medicinale betekenis heeft. Extracten uit de bladeren van de Yucca worden op sommige plaatsen gebruikt voor de bestrijding van ontstekingen. Hoewel ik soms ook last heb van ontstekingen, laat ik mijn Palmlelie met rust. De plant met een meervoudige iconische betekenis mag verder groeien en opnieuw bloeien, ook als blikvanger in de Willem Schiffstraat, naast de gemeentelijke, duurzame wadi. 

Voetbaltaalkunde

In extremisstakeholders en ander merkwaardig woordgebruik van voetballers, trainers, verslaggevers en analisten

Na zijn laatste wedstrijd voor NEC nemen de spelers hun trainer Rogier Meyer op de schouders; rechts ‘sterkhouders’ Calvin Verdonk en Philip Sandler (Foto: Broer van den Boom)

Het voetbalseizoen loopt ten einde. De play-offs voor Europees voetbal en voor de promotie naar de eredivisie vormen naast de finales van de Champions en Europa League het sluitstuk van wat kenners intussen een bizar seizoen noemen, met wedstrijden die in  extremis werden beslist. In extremis is zo’n term, waarmee vooral verslaggevers indruk proberen te maken op luisteraars en kijkers. Willen zij tijd winnen: de laatste minuten of ogenblik telt immers meer lettergrepen? Of is het stoerdoenerij van echte of vermeende kenners langs de lijn, die ook het woord ‘sterkhouder’ tot hun onmisbare woordenschat zijn gaan rekenen. Sterkhouders: zijn het sleutelfiguren, voetballers die hun team inspireren en op sleeptouw nemen of hoeven zij slechts een consistente vorm te tonen? De sterkhouder lijkt een Nederlandse kruising van de Engelse woorden strongman en stakeholder. De afkomst van het woord interesseert journalisten en verslaggevers waarschijnlijk niet. Taalvorsers daarentegen waarderen de etymologie van nieuwe of vreemde woorden hoger dan het verzamelen en bijhouden van stopwoorden en stopzinnen.

Sfeeractie voor Vitesse (hoezo Ernemse Boys) in Gelredome, met de vraag: Hoe lang nog? (Foto: Wikimedia Commons)

Stopwoorden zijn een universeel taalverschijnsel, dus ook hoorbaar wanneer voetballers en trainers worden geïnterviewd of analisten hun (eigen) wijsheid ten beste geven. Marco van Basten en Theo Janssen zeggen vaak het overbodige weet je, terwijl Mario Been regelmatig nogmaals zegt, ook wanneer hij nieuwe zaken te berde brengt. Diverse trainers en spelers gebruiken wel erg vaak het (koppel-)woord alleen, wanneer zij de voorafgaande zin willen nuanceren of zelfs omdraaien. ‘De scheidsrechter floot goed; alleen heeft hij ons twee strafschoppen onthouden’. Of: ‘we waren de bovenliggende partij (ook voorbeeld van trendy voetbaltaal), alleen: wij scoorden niet’. Voetballers vallen vaak in herhaling, en onderstrepen dat met de stopzin wat ik zeg.  Wanneer ze weinig te melden hebben – wat vaak het geval is – hoeven zij op hoe-vragen met ingebouwd antwoord slechts klopt te antwoorden. Maar de trainer of voetballer kan geen kant meer op, wanneer een verslaggever als Jeroen Stekelenburg zijn mening verpakt in een hoe-vraag. Op de vraag ‘hoe zwaar was de wedstrijd?’ kan de geïnterviewde moeilijk zeggen: erg licht. 

Nieuw Monnikenhuize, het ‘stadion’ van Vitesse in de jaren vijftig aan de Rozendaalseweg in Arnhem (Foto: Wikimedia Commons

Voetbal was altijd al een kijksport, ook ver voor en in de tijd van Studio Sport op de vroege zondagavond. Ik doel op de naoorlogse wederopbouwjaren, toen ik talloze zondagmiddagen met mijn vader in Arnhem naar het Oude en later Nieuw Monnikenhuize liep om daar het toen al befaamde Vitesse te zien voetballen. We hadden het over voor- en achterhoede, over een stopperspil en een midvoor, niet over vleugelverdedigers, laat staan over wingbacks. Van hoog of laag druk zetten was nog geen sprake. Rugnummers kwamen in zwang, maar nummer tien en nummer zes waren nog geen toonaangevende begrippen. We kenden natuurlijk het strafschopgebied en de penaltystip, maar hadden het nooit over de zestien van nu. Uiteraard wisten we, dat het doel twee palen en een dwarslat had, maar we hoorden verslaggever op de draadomroep niet spreken over de eerste of tweede paal, en evenmin over de verre hoek. Hoewel de latere televisiebeelden voor zichzelf spraken, gingen verslaggevers en analisten toch een nauwkeuriger plaats aangeven: de zestien dus, de verre hoek en de eerste of tweede paal.

NEC-trainer Rogier Meyer verlaat na de overwinning op NAC, waarmee de 8e plaats op de ranglijst werd veilig gesteld, met zijn kinderen het Goffertstadion (Foto: Broer van den Boom)

Intussen zijn interviews met trainers en spelers zijn een gebruikelijk onderdeel geworden van het voetbalgebeuren, net zoals de uitvoerige voor- en nabeschouwing bij vrijwel alle wedstrijden in het betaalde voetbal. Het publiek in de televisiestudio geniet zichtbaar van de beelden en de commentatoren, meestal oud-voetballers, die in tegenstelling van nogal wat lotgenoten goed uit hun woorden kunnen komen. Woorden doen er dus toe, ook al spreken voetballers liever en beter met hun hoofd en hun benen. Woorden tellen, ook wanneer zij gezocht of gemaakt overkomen. Dat geldt zelfs voor in extremis en sterkhouder, die mij even bij de actualiteit brengen. PSV werd in extremis kampioen, NEC – de club die ik intussen als import-Nijmegenaar 65 jaar volg en bewonder – haalde onder leiding van een tegelijk verguisde en geprezen Rogier Meyer in extremis de play-off voor Europees voetbal (met een wereldgoal van Brian Linssen); en het dolende Vitesse, dat ik op afstand bleef volgen, ziet in extremis voor de derde keer de licentie in gevaar  komen door het gedrag van achtereenvolgende buitenlandse eigenaren, toevallig uit Rusland en de Verenigde Staten. Over niet-spelende en niet-transparante sterkhouders gesproken.

Eeuwige ladders

Ofwel: hoe een opvallende omslag van een bijzonder boek associatie oproept met de in de afval- en recyclingwereld bekende ladder van Lansink

De lente was pas enkele dagen oud – of jong – toen Jos Joosten, hoogleraar neerlandistiek aan de Radboud Universiteit, de lezers van zijn Bericht op Facebook informeerde over het spoedige verschijnen van Och, eeuwig is zo lang: een bundel essays over zeshonderd jaar Nederlandstalige literatuur in het licht van de eeuwigheid. De bij het bericht gevoegde omslag van Joosten’s nieuwe boek trok meteen mijn aandacht. Tegen de achtergrond van een licht bewolkte ‘hemel’ klimt een in zwarte kleding gehulde man op een grote ladder omhoog, angstig naar beneden kijkend. Hoewel ik vrijwel nooit een hoed draag en gauw last heb van hoogtevrees, voelde ik als ‘de man van de ladder’ – mijn geuzenaam in de afval- en recyclingwereld – meteen verwantschap met de man op de fraaie boekomslag. Ik besloot om het boek van Jos Joosten aan te schaffen en te gaan lezen, ook omdat ik benieuwd was naar enkele, min of meer met Nijmegen verbonden terugblikken: [ca 1464] Brugman en de eeuwigheid, [1515] Alle wegen leiden naar Rome (over Mariken van Nieumweghen), [1948] Anton van Duinkerken en Sint-Nicolaas en [1945-1971] Bomans als Barthes.

De ladder op de omslag van het bijzonder fraai vormgegeven boek is niet de enige verbinding met de ladder van Lansink, de voorkeursvolgorde voor het afvalbeleid, die ik in 1979 via een motie door de Tweede Kamer loodste, en die (pas) in 1993 werd opgenomen in de Wet milieubeheer. Want het woord ‘eeuwigheid’ in de ondertitel van ‘Och eeuwig is zo lang’ en in de essays over prediker Brugman en poëet Mark Braet doet mij terugdenken aan een afvalsymposium in Groningen, waar de toen bekende afvalondernemer Leo van Gansewinkel de ladder van Lansink zmaar eeuwigheidswaarde toekende. Dat was in 1998, tien jaar voor de codificatie van de Europese Afvalstoffenrichtlijn, waarin op aandringen van het Europese Parlement de voorkeursvolgorde – preventie, hergebruik, recycling, verbranding met energieterugwinning, en functioneel storten – was vastgelegd. Die volgorde heette toen al geruime tijd de ladder van Lansink. Ik merkte dat in 1994 toen bij een ontvangst in de Amsterdamse Nieuwe Kerk tijdens een door Shell gesponsorde expositie iemand zei: ‘wat leuk dat ik de man van de ladder hier tegen kom’. Op mijn vraag welke ladder antwoordde hij: de ladder van Lansink, preventie, hergebruik en zo voorts.

Twee keer kreeg ik na een presentatie over de ladder van Lansink een bronzen sculptuur: de eerste keer ‘sec’, de tweede keer bij het NVRD-Jaarcongres 2009 opgesloten in een fles

Wanneer en door wie de alliteratie is bedacht, is onbekend. Die alliteratie heeft de bekendheid van de ladder van Lansink wel vergroot. Het woord eeuwigheidswaarde, geuit door Leo van Gansewinkel, is wat overdreven. Maar de universaliteit van de ladder is alom bevestigd. In Brussel is de term voorkeursvolgorde leidend, terwijl elders ‘waste hierarchy’ de gebruikelijke terminologie is. Ik bedacht de afvalhiërarchie in 1979, nu 46 jaar geleden. Die periode is niet te vergelijken met de tijdspanne, die Jos Joosten overbrugt met zijn boeiende beschouwing van zes eeuwen literatuurgeschiedenis via de teksten van 22 befaamde auteurs: van prediker Brugman tot Paul Rodenko. Geven de ogen van nu een ander zinzicht in de teksten, die de auteurs destijds aan het papier hebben toevertrouwd, zo was kennelijk de vraag van de Nijmeegse hoogleraar, die in zijn Berichten op Facebook toont ook op niet literaire markten thuis te zijn. Op een van die markten – de Nijmeegse politiek – ontmoette ik hem op afstand kennen, toen hij op Facebook de vloer met mij probeerde aan te vegen vanwege mijn rol tijdens de Piersonrellen in 1981. Mijn weerwoord leidde tot een pittige, toen niet beslechte discussie. Bij de uitreiking van de Nijmeegse Vredespenning 2022 raakte ik toevallig in gesprek met Jos Joosten, eerst over de Piersonrellen, later over andere zaken. Dat gesprek leidde tot wederzijds begrip, en tot (h)erkenning van zijn ‘marktwaar’: ook zijn recente Och, eeuwig is zo lang. Toen ik het boek in mijn handen nam, viel mij meteen de fraaie boekverzorging op. Het boek is voor wat de bladspiegel betreft kleiner dan ik had verwacht, maar is in alle andere opzichten grootser: uitvoering, druktechniek, vormgeving, letterkeuze, papierkeuze, boekverzorging en het relatief grote aantal pagina’s. Ik neem aan, dat boekverzorger Damiaan Renkens ook tekent voor de boekomslag, die voor mij naast de nieuwsgierigheid naar het nieuwe zicht op een deel van de Nederlandse literatuur aanleiding was om mijn boekenverzameling uit te breiden met een bijzonder exemplaar. De titel Ach eeuwig is zo lang is ontleend is aan Johannes Brugman (ca 1400-1473). Of die befaamde prediker ook een ladder nodig had om een hoger doel, wellicht zelfs de eeuwigheid te bereiken, staat niet vast. Wellicht kan Jos Joosten nog eens uiteenzetten, wat de eeuwigheidwaarde van zijn ladder is. Intussen heb ik Och, eeuwig is zo lang met veel belangstelling gelezen. Het ene essay boeit meer dan het andere, maar dat ligt voor de hand. Literaire smaken verschillen nu eenmaal, net zoals artistieke voorkeuren. Boeiend is hoe dan ook, hoe Jos Joosten erin is geslaagd om met de ogen van nu een andere, veelal niet bekende of minder gebruikelijke nieuwe invalshoek te belichten. 

Ladder (Brons) van Cor Litjens, geschenk bij afscheid van Ds Visscherfonds

Jos Joosten begint zijn mooie boek met een beschouwing over Brugman en de eeuwigheid. De ondertitel ‘een min of meer tijdloze opmaat’ leert, dat schrijven en lezen voor de eeuwigheid toch een zekere tijdgebondenheid kent. Eeuwigheid kent ook meer varianten of betekenissen: ‘van alle tijden’ bij voorbeeld, of ‘universeel’: een begrip dat mij aanspreekt. De spanning tussen eeuwigheid en tijdgebondenheid is overigens in meer bijdragen af te lezen. Kijken met de ogen van vroeger of van nu leidt tot andere bevindingen. Datzelfde geldt voor het lezen met de kennis en de omstandigheden van nu. Ik ben niet geroepen en voel mij evenmin bevoegd om het indrukwekkende boek van Jos Joosten van een recensie te voorzien. Wel wil ik de essays noemen, die er naast Brugman en de eeuwigheid voor mij om uiteenlopende redenen uitspringen. Dat zijn achtereenvolgens de bijdragen over Mariken van Nieumegen [1515] Alle wegen leiden naar Rome en Maar waar komt Gabriel ineens vandaan?, [1947] ‘Dat is nu een intellektueel – Mythevorming rond De avonden, [1953] Aafjes minder braafjes -Het literair klimaat van 1953, en [1945-1971] Bomans als Barthes, een herontdekking van de columns van Godfried Bomans: een aansporing om zijn verzamelde werken weer een ter hand te nemen.

De Bruuk komt weer tot leven

In de eerste week van de lente zetten waterplassen de toon. Toch komt tegelijk het groen voorschijn volgens het ritme van de natuur

Zicht op het grote moerasgraslandschap van de Bruuk

Een zonnige dag met een aangename temperatuur: aanleiding voor een wandeling in de Bruuk, het steeds weer boeiende natuurreservaat tussen de kerkdorpen De Horst en Breedeweg. Hoewel de kerken inmiddels aan de eredienst zijn onttrokken, houd ik het woord ‘kerkdorp’ in ere. De karakteristieke kerkgebouwen blijven immers staan, en krijgen waarschijnlijk een voorlopig blijven staan op de gemeenschap gerichte functie. Maar dat terzijde. Vanuit De Horst rijd ik via de Plakseweg en de Lage Horst naar de smalle Hogewaldseweg, die uiteindelijk met een haakse bocht overgaat in de Bruuk: de weg die linea recta naar Bredeweg leidt. Ongeveer twee honderd meter na die haakse bocht sla ik rechtsaf naar de parkeerplaats bij de zuidelijke ingang van het natuurreservaat.

Bij het begin van de wandeling zie ik vrijwel meteen water op plaatsen, waar meestal weinig of geen water te vinden is. Ook op de uitgestrekte moerasgraslanden zijn grote waterplassen zichtbaar, terwijl de watergangen langs de grote landweg door de Bruuk ook tot de rand gevuld zijn. De betrekkelijk droge wintermaanden hebben kennelijk de watertoevoer vanuit het Reichswald niet belemmerd. Bij het groot onderhoud van de afgelopen jaren zijn hydrologische maatregelen genomen, waarmee de vernatting van de Bruuk beter gewaarborgd kan worden. De peilbuizen – hier en daar in het moerasgrasland – maken duidelijk, dat de waterstand van het natuurgebied nauwlettend wordt gecontroleerd.

De moerasgrasweiden tussen de Bruuske bosschages

Ik besluit voor de verandering op de eerste kruising maar eens links af te slaan om via de Biezekamp een rondje tegen de klok in te lopen. De waterplassen in het moerasgrasland vormen een mooie voorgrond voor foto’s van het karakteristieke landschap van de Bruuk. Het voorjaar moet nog beginnen. Toch levert de begroeiing nu al verrassende kleuren op: het groene, jonge gras naast de uitgestrekte, gele grasvelden; en de grijs-grauwe, hier en daar als vergroenende bosschages tegenover de licht-blauwe lucht. Een detailopname van het jonge, opschietende riet verterkt de tegenstelling tussen het oude en het nieuwe gewas.

Het brede graspad vanaf de Biexzekamp naar de noordkant van de Bruuk

De Biezekamp – het brede pad, dat uitkomt bij de noordelijke ingang van de Bruuk aan de Lage Horst – is goed te belopen. Datzelfde gel voor het graspad, dat ik kies om het wat kleinere rondje De Bruuk te kunnen lopen. Ook langs dit pad zijn op verschillende plaatsen kleine en grote waterplassen zichtbaar. Forse wielsporen, stapels snoeihout en schone watergangen leren, dat in de laatste weken groot onderhoud heeft plaats gevonden. De natuur van de Bruuk wordt dus niet aan zijn of haar lot overgelaten. Integendeel. Het natuurreservaat zier er – afgezien van het snoeihout, dat nog verwijderd moet worden – opgeruimd uit, zozeer, dat ik er opgewekt van wordt.

In de afgelopen jaren hebben Ans en ik heel wat keren de Bruuk bezocht. We genoten van het steeds weer verrassende landschap en wezen elkaar op wat er – al dan niet met een geoefend oog – te zien was; het jonge riet in de lente, de orchideeën in de vroege zomer en de paddestoelen in de herfst en de kale bomen in de winter. Ik wandel nu alleen door de Bruuk, met de herinneringen aan die gezamenlijke tochten, vooral in 2023, toen Ans zelfs met haar rollator een rondje Bruuk volbracht. Praten kan nu niet, maar nadenken wel, over wat geweest is en wat nog komen gaat. De natuur wijst gelukkig ieder jaargetijde de weg, ook in 2025, het jaar waarin onzekerheid troef is. De bloeiende natuur is een lichtend voorbeeld.

Het jonge riet komt tevoorschijn (Alle foto’s: Ad Lansink – 25 maart 2025)

Jan Tregot’s karrenspoor

Enkele overwegingen bij recente kar-sculpturen, waarin beeldhouwer Jan Tregot zijn perceptie van cultuurveranderingen in de samenleving duidt

Jan Tregot: Koninkrijk (Foto: Anton Houtappels)

Beeldhouwer Jan Tregot heeft in de afgelopen jaren vooral naam gemaakt met (her)ontdekking, bewerking en gebruik van religieuze beelden, die hij in een andere vorm en ook met een andere betekenis een tweede leven gunt in een andere context. Tijdens zijn duo-expositie met Harrie Gerritz in galerie LangeHezel46 in het najaar van 2023 raakte ik zo onder de indruk van zijn sculptuur ‘Koninkrijk’ – de gecombineerde verbeelding van de steenrots waarop Petrus de kerk moest bouwen en de kameel (kerk) die (niet) door het oog van de naald zou kruipen – dat ik besloot het beeld aan te kopen. Enkele weken na de beëindiging van de expositie kwam Jan Tregot het beeld zelf brengen. Bij die gelegenheid spraken we verder over het motief van en de gedachte achter het beeld: secularisatie: een van zijn geliefde thema’s, waarbij hij vooral geïnteresseerd in het proces van cultuurverandering in de samenleving. Hij nodigde mij uit om eens naar zijn atelier te komen om daar verder van gedachten te wisselen. Hij zou dan meer beelden tonen, en ook laten zien hoe hij te werk gaat, met respect voor de komaf van de afgedankte materialen.

Handkarren, geparkeerd in het atelier van Jan Tregot (Foto: Jan Tregot)

Bij mijn bezoek aan het atelier van Jan Tregot viel vrijwel meteen een viertal karretjes op. De kleine, houten voertuigen op twee wielen zijn weliswaar klein van stuk maar groot van zeggenschap. De uitstraling heeft te maken met de lading van de handkarren: een stapel houten balken, een staand Christusbeeld, een raam met doornenkroon en delen van een beeld van porselein en gips. De karren zijn op zichzelf ook uniek vanwege vorm, afmetingen, wielen en kleur. Zij worden nog unieker door hun lading, die veel te raden laat. De titels, die de kunstenaar heeft bedacht, bieden enig maar niet alle houvast: Houthandel – Op weg naar het atelier – Revolutie – Beeldenstorm. Die titels verklaren veel, maar niet alles. Secularisatie is trouwens een even gemeenschappelijke als begrijpelijke noemer. De mysterieuze handkarren van Jan Tregot trekken, eenmaal in beweging gezet, een onmiskenbaar karrenspoor in het veranderde domein van kerk en samenleving

Houthandel, 2021 en 2023 – Lindehout, eikenhout, metaal, acrylverf – 15 × 46 × 24 cm (Foto: Anton Houtappels)

De meest prozaïsche kar is de wagen van de houthandelaar, die aan de zorgvuldig bewerkte houten balken een bordje met de afkorting INRI heeft toegevoegd. INRI staat voor ‘Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum’, waarmee de komaf van de houtvoorraad wordt aangeduid. De kar rust op een sokkel met het hoofd van Christus, en gaat (later) met de balken van oude kruisbeeld gaat op weg naar een recyclingbedrijf. Voor verbranding is de lading te kostbaar. Of wijst de Koning van de Joden en het Christusbeeld als steunbeer toch naar wat meer is dan louter geschiedenis: de betekenis van de dood aan het kruis voor het Christendom. Ook wanneer de devotionele betekenis nagenoeg verdwenen is, biedt hergebruik van religieuze beelden of onderdelen ruimte voor actuele beschouwingen over religie en maatschappij, over geloof en wetenschap.

Op weg naar het atelier2022/2023 – Lindehout, meranti, metaal, gips, leer, acrylverf – 31 × 28 × 15 cm (Foto: Anton Houtappels)

De meest opvallende kar toont een staand, met touwen overeind gehouden Christusbeeld, kennelijk op weg naar de kunstenaar, die voor het beeld een andere functie in gedachten heeft. De kar met het Christusbeeld is in zekere zin een autobiografisch object, want Jan Tregot baseert deze nieuwe verbeelding van de oude werkelijkheid op een herinnering aan een verre en vroege voorganger. Jacques Frenken vervoerde in de jaren zestig – het begin van de geleidelijke ontkerkelijking – op een fietskar een Christusbeeld naar zijn atelier om van het materiaal een nieuw kunstwerk te maken. Jan Tregot’s versie verbindt de secularisatie en de daarmee gepaard gaande verandering van de geloofsgemeenschap met het ontstaan van een andere culturele identiteit. Opvallend is wel, dat de intrinsieke betekenis van de vroegere religieuze beelden in het nieuwe kunstwerk behouden blijven: wellicht een karrespoor naar de eeuwigheid. 

Revolutie, 2024 – Hout, metaal, rozentak, acrylverf – 25 × 23 × 13,5 cm (Foto: Jan Tregot)

De meest mysterieuze kar laat zich ondanks de rechttoe-rechtaan-titel niet in een paar woorden vatten. Het mysterieuze karakter van het beeld betreft het eenvoudige frame, met de aan een kant uitstekende stang, en met de doornenkroon, waarmee de soldaten van Pilatus de Koning van de Joden voorafgaand aan de kruisiging wilden bespotten. De doornenkroon is in de geschiedenis van de kerk het onmiskenbare symbool van martelaarschap van Jezus. Jan Tregot heeft aan zijn verbeelding van bespotting opnieuw INRI toegevoegd. De kunstminnaar vraagt zich intussen af, of deze ‘lijdenswagen’ zijn eigen weg gaat volgen, en of de doornenkroon een museumstuk wordt. Anders gezegd: is ‘Revolutie’ synoniem aan omkering van de religieuze werkelijkheid, of aan een ongedacht begin van nieuwe geloofwaardigheid? 

Beeldenstorm2024 – Hout, metaal, porselein, gips, acrylverf, olieverf – 13 × 24,5 × 13,5 cm (Foto: Jan Tregot)

De meest begrijpelijke kar draagt de brokstukken van een Christusbeeld, dat van zijn voetstuk is gevallen, zowel letterlijk als figuurlijk. De eigenaar van de wagen voert de restanten van het beeld af, kennelijk zonder zich te bekommeren om de waarde van het materiaal of de mogelijkheden van hergebruik. De titel verwijst ook naar een periode in de kerkgeschiedenis, waarin beeld en verbeelding moesten worden uitgewist. Vanuit die gezichtshoek past de sculptuur bij het thema van de secularisatie, als een niet omkeerbaar proces. Zou de eigenaar of vervoerder van de brokstukken toch een ander doel voor ogen staan – reparatie en hergebruik, tegenwoordig ‘refurbisment’ genoemd – dan kantelt de beeldvorming naar een cultuur-analytische benadering. De brokstukken worden niet weggegooid maar na bewerking en eventueel toevoeging van nieuwe elementen omgevormd in een nieuw kunstwerk, met eeuwigheidswaarde: een kar, die sporen nalaat.

Jacques Frenken in ’s Hertogenbosch met een heiligenbeeld op weg naar zijn atelier. Jan Tregot ontleent zijn inspiratie voor een deel aan de Jacques Frenken (1929-20220, die vanaf 1964 vooral naam heeft gemaakt met het verzagen, verspijkeren en assembleren van heiligenbeelden tot nieuwe, andersoortige creaties

De verplaatsing van de christelijke iconografie naar een nieuw kader betekent niet de verwoesting van vertrouwde beelden. Integendeel. De herkenbaarheid van vorm en inhoud biedt tegenwicht tegen de vervreemding, die de vertaling van secularisatie in meer of mindere mate met zich meebrengt. Jan Tregot’s karren roepen ongetwijfeld gemengde gevoelens op: mijmeringen over wat was maar ook over wat misschien nog komen gaat. Bij mijn atelierbezoek vertelde Jan Tregot, dat hij nu werkt aan de omvorming van een wit Christusbeeld in een verbeelding van genderneutraliteit, een actueel thema, gelet op de discussie over binariteit. Ook dat thema heeft zoals elke medaille twee of meer kanten. Een non-binair persoon aanvaardt de binariteit van andere mensen, en een atheïst heeft (een) God nodig om Hem te kunnen ontkennen. Secularisatie is een wereldse term, die niets afdoet aan de eeuwigheid van de Schepping. Ook bij hergebruik van religieuze beelden blijft de intrinsieke waarde van christelijke iconografie behouden. Zo wijst het virtuele karrenspoor van Jan Tregot de weg naar andere, wellicht betere tijden. Hoe dan ook: zijn beelden stemmen tot nadenken.

Ad Lansink bij de beelden, die tot nadenken stemmen (Foto: Jan Tregot)